Tales from the Quadead Zone

Poster voor de film ""

Tales from the Quadead Zone

62 min - Horror
Your rating:

Language:  English
Release Date:  1987
Director:  Chester Novell Turner
Runtime:  1 h 02 min


Tagline: 3 Tales of Evil Beyond Belief

Een aantal jaren geleden ben ik met een kameraad voor een 2-daagse naar Doel getrokken. Ter verklaring : Doel is een dorp dat verwikkeld is geraakt in een zaak betreffende uitbreiding van de Antwerpse haven, waardoor het bijna een spookstad geworden is. Enfin, gewapend met een Sony camera ging ik er naartoe, zonder echt plan, en schoten we wat ‘materiaal’. Na een avondje ‘on the town’ in Antwerpen kwamen de volgende dag terug voor nog wat opnames. Er werden kostuums aangetrokken. Zeer plezant, maar qua resultaat een fiasco, want het leverde enkel een ‘trailer’ op voor een ‘film’ genaamd “The Blood Mutant”. Op de 2e dag zagen we een koppel met hun kinderen. Die lieve schavuiten hadden zomaar eventjes een professionelere camera met microfoon bij. Voelden wij ons eventjes voor schut gezet!

Het toont maar aan hoe makkelijk het voor de hobbyist van tegenwoordig om aan het nodige materiaal te raken. Want tijdens het monteren van mijn trailer viel het me op hoe klaar het beeld wel niet was en hoe duidelijk het geluid. En met de online wereld is het een fluitje van een cent geworden om de creatie te delen met anderen. Het is niet altijd zo makkelijk geweest als nu, doch de mogelijkheden hebben altijd bestaan voor de mensen thuis om hun eigen creativiteit los te laten. In de vorige eeuw kostte een camera nog stukken van mensen of waren de apparaten voor thuisgebruik verhoudingsgewijs qua kwaliteit niet te vergelijken met professionele apparatuur. Het begon pas echt met 16mm film in 1923 door Eastman Kodak, waarmee ze een standaard neerzetten (eerder waren er verschillende andere bedrijven die formaten maakten die niet altijd veilig waren) en sindsdien zijn de ontwikkelingen zich blijven opvolgen.

Allemaal mooi en wel, maar er is nog altijd een verschil tussen iets creëren en het beschikbaar maken enerzijds en een creatie die effectief gezien wordt door mensen, desnoods na het betalen van een som geld. YouTube is een ontiegelijk diepe oceaan waar onmeetbaar veel materiaal opstaat dat bijna geen kat gezien heeft, wat in schril contrast staat met een select groepje dat miljoenen hits haalt. Ook mijn trailer is maar door zeer weinig mensen aanschouwd! In het tijdperk voordat er een makkelijk beschikbaar formaat was, moet het een absolute hel geweest zijn. Daar kwam dus verandering in toen eind jaren ’70 het Video Home System (kortweg VHS) ontwikkeld werd. Nadat het de slag won van Betamax en gekozen werd als de standaard inzake het afspelen en opnemen van video voor de consument werden de sluizen geopend. Niet alleen werd het mogelijk voor de grote studios om hun films op een andere manier aan de man te brengen, de vraag naar produkt was zo groot dat men specifiek films ging maken voor het nieuwe formaat.

Dat hoefde niet noodzakelijk op film te gebeuren. Producties werden geschoten op videotape en dan vlotjes uitgebracht. Dat leverde weliswaar een minder mooi product op dan als het op 35mm geschoten werd, maar de sprankelende frisheid van de nieuwe technologie maakte dat de consument daar niet zoveel om gaf. Niet voor niets is momenteel het VHS-tijdperk nog steeds niet overtroffen door latere formaten wat betreft variatie en volume van films die er op uitgebracht zijn. Films uitgebracht door professionals met verschillende gradaties van kwaliteit. Maar wat gebeurt er als een amateur er in slaagt om een videorecorder te kopen, wat mensen optrommelt en een ‘film’ ineenflanst? Is dat iets wat je wilt zien? Heeft zulk een onderneming een plaats op een professioneel circuit? Professionaliteit betekent meestal een bepaalde graad van kwaliteit, doch ook een beperking in wat gemaakt wordt. Een amateurfilmer die zijn visie tot leven wenst te brengen zal daar minder last van hebben en op geen enkel moment zal zijn creativiteit geketend zijn door mensen boven hen.

De keerzijde is dat je geen garantie hebt op een bepaalde graad van kwaliteit. Mogelijk is het beeld zo korrelig dat je helemaal niets ziet. De kans dat je de acteurs niet verstaat omdat de microfoon te ver verwijderd is van hun mond is reëel. Waarschijnlijk zijn het ook geen (professionele) acteurs die je ziet, maar de familieleden van de regisseur die het wel eens geinig vinden om mee te doen in zo’n film. Ik geloof stellig dat het niet uitgesloten is om tussen al die amateurfilms een diamantje te vinden dat zijn praktische beperkingen overstijgt. En het is sowieso een verwezenlijking als zo een dromerige thuisfilmer doordringt tot het volgende niveau en zijn troetelkindje in de videotheken ziet verschijnen. Een beetje een David-tegen-Goliath verhaal, de echte Amerikaanse droom! En in dat laatste is Chester N. Turner geslaagd. Met 2 films is hij de huis-, tuin- en keukenfilm eventjes ontgroeid. In plaats van een voorstelling op een familiefeestje kregen zijn 2 creaties de eer om de televisies van andere gezinnen op te lichten.

Hij was in ieder geval slim genoeg om ronkende titels te voorzien als Black Devil Doll From Hell en Tales From The Quadead Zone. Goede wijn hoeft geen reclame, doch het kan ook geen kwaad. Zijn eersteling heb ik nog niet gezien, maar als Tales From The Quadead Zone een indicatie is van de kwaliteit, dan praten we hier niet over goede wijn, maar wel compleet verzuurde die je meteen terug uitspuwt! Het begint eigenlijk al bij de openingssequentie. Grote groene letters op een zwarte achtergrond zijn nog normaal, maar de ogen slaan wijd open als daarna de rest van de credits getoond worden over een aantal tekeningen heen. Tekeningen die lijken op wat een leerling van het lager onderwijs zou bedenken. Ondertussen worden je oren verwend met een lied dat gespeeld wordt op een Casio toetsenbord en zang verzorgd door wat ik enkel kan beschrijven als een Muppet op helium. Onder het synthesizerdeuntje zit ook nog een beat, een beat die volgens mij terugkomt in bijna alle andere (nauwelijks te onderscheiden) deuntjes die de soundtrack representeren. Ik moet zeggen, het titellied is op een surrealistische manier best aanstekelijk!

Laten we even een kat een kat noemen. De gemiddelde mens zou bij het aanschouwen van zulk een hallucinante vertoning de videocassette eruit zwieren en terug brengen naar de videotheek. De theorie, dat de vorige huurder per ongeluk zijn eigen opname op de videotape had geplaatst en daardoor de echte film had gewist, zou verre van ondenkbaar zijn. Maar ja, de film duurt maar een uurtje en we hebben ervoor betaald, dus je spant even de broeksriem aan en gaat verder. Het betreft hier een anthologiefilm, wat wil zeggen dat er een aantal verhalen worden verteld, omkaderd door een raamvertelling. Een bekend voorbeeld is de film Creepshow van George A. Romero. We ontmoeten een zwarte vrouw in haar keuken terwijl ze praat met Bobby, haar zoon. Alleen, we zien Bobby niet, want de jongen is dood en blijkt een geest te zijn. We horen hem wel, want op gepaste tijdstippen begint hij “yesyesyesyesyesyes” te fluisteren en waaien de haren van moeder achteruit. Raar genoeg lijkt dit de vrouw sexueel op te winden (op een bepaald moment likt ze over haar lippen!). Is dit met opzet of gewoon slecht acteren? We zullen het nooit weten, net zoals er nooit een verklaring zal gegeven worden voor dit bovennatuurlijk fenomeen.

Ik zei dat we Bobby niet zien, maar dat is niet volledig waar. Een deur gaat zomaar open, een koffiekop zweeft in de lucht en het zitvlak van de zetel in de living zakt wat in als Bobby erin gaat zitten. Opnieuw, hoe primitief dit ook wordt uitgebeeld, het is wel efficiënt gedaan. Na wat gekibbel verschijnt er opeens een boek uit het niets, met daarop de titel van de film. Moeder belooft Bobby om er uit voor te lezen en dat is de aanleiding voor 2 verhalen. Nuja, verhalen, je kan moeilijk van een verhaal spreken als het maar 6 minuten beslaat, want dat is hoelang het 1e segment, “Food For?”, duurt. Het basisidee biedt een hoopvol perspectief, totdat je dus beseft dat er van enige uitwerking geen sprake is. Ook wordt duidelijk dat kwaliteitscontrole op het geluid niet van tel was, want moeder blijft eventjes doorvertellen maar de muziek en het gekibbel van de familie die centraal staat in het segment overspoelen haar woorden. Het zal niet de laatste keer zijn dat dialogen vrijwel onverstaanbaar zijn.

Een arme, blanke familie zit aan de keukentafel. Vader neemt een belletje en rinkelt het. Ze zijn met 8, doch er is echter maar voedsel voor 4, dus op deze manier wordt het signaal gegeven om gewoon toe te tasten. Sommigen hebben geluk en eten die avond, anderen hebben pech. De volgende dag begint het opnieuw. Dit keer is 1 van de zoons het beu en schiet hij met een shotgun voldoende gezinsleden af zodat er voor iedereen eten is. De volgende dag zitten de overgeblevenen opnieuw aan tafel, blijkbaar al vergeten wat er de vorige dag gebeurd is. Echter, bij elk gezinslid bevriest het beeld en krijgen we met een zinnetje te zien wat er gebeurd is. De ouders genieten van een beschermingsprogramma nadat ze hun moordlustige zoon aangeklaagd hebben. Vrij onnodig, aangezien die laatste blijkbaar gestorven is op de ‘gas chair’! In de spaarzame tijd dat “Food For?” zich ontplooit, wordt gezondigd tegen zowat alle regels van degelijk filmmaken. Voor het groepje vrienden dat de familie uitbeeldt (om het eufemistisch te zeggen), moet het wel een leuke ervaring geweest zijn!

Bobby blijkt niet tevreden te zijn met maar 1 verhaaltje (wij ook niet, zeker niet als het zo kort is!) dus mams kan zich er niet makkelijk vanaf maken en ze vertelt een 2e, wat het volgende segment genaamd “The Brothers” vormt. De dialogen zijn hier zo slecht te verstaan dat ik niet kon uitmaken wie wie is, maar in het kort komt het er op neer dat een man samen met een aantal kompanen een lijk steelt uit een mortuarium. Eenmaal thuis wordt duidelijk wat de reden hiervoor is. De dode is de broer van de man en al snel wordt duidelijk dat ze niet goed konden opschieten want een 5-minuten durende monoloog maakt duidelijk dat de dode broer zowat alles heeft gestolen wat er te stelen viel. Als wraak verkleedt de man zijn broer als een clown en… dat is het? Zonder enige aanwijsbare reden rijst de overledene vanuit het dodenrijk en ramt een riek in de maag van zijn broer. Door de band genomen is dit segment een klein tikje beter (er doet zelfs een professionele acteur in mee!), maar helaas ook een stuk saaier. De reeds vermeldde monoloog deed mij wegdommelen, waarna ik de film moest stoppen om hem de volgende dag verder te zetten. De stemvervorming van de in clownspak gehulde zombiebroer had wel iets onwerkelijks, een beetje als Bane in The Dark Knight Rises maar dan ontiegelijk veel hoger en compleet onverstaanbaar.

Hemeltje, zijn er nog 20 minuten te gaan? Blijkt dat de rest van de raamvertelling het 3e segment vormt (genaamd “Unseen Vision”). Bobby’s vader komt thuis en begint ruzie te maken met zijn vrouw. Veel gescheld en handgemeen volgen. Maar moeder is de mishandelingen beu en ramt een mes in de onderbuik van vader. Ze krijst (“Do you wanna dance with me?”) en de vader wilt maar niet sterven. Opnieuw een segment dat het geduld van het publiek grondig test door veel langer te duren dan noodzakelijk. Eindelijk legt de man het loodje, maar niet voordat hij de politie heeft kunnen bellen. Die arriveren even later met loeiende sirenes. Blijkt het gewoon een sportwagen te zijn met 2 mannen in casual kledij (maar wel met een badge en neppistool), een onthulling die even voor hilariteit zorgt. Hoe dit uiteindelijk afloopt, zal ik niet verklappen, behalve dat de film eindigt met een boodschap dat er een vervolg op til staat (wat uiteindelijk nooit gebeurd is).

Wat me nog het meeste stoort aan deze film zijn niet de amateuristische acteerprestaties (of non-prestaties), niet het zeer groffe beeld of gebrek aan continuïteit. Er bestaan vele films die heel slecht voor de dag komen, doch voor veel plezier zorgen of voldoende geniale momenten bevatten die de toeschouwer doet opkijken. Nee, de film is, ondanks dat hij uiteindelijk minder dan een uur duurt, gewoon ontzettend saai. De moordscènes missen verbeeldingskracht. De acteurs zijn vrij levensloos en zijn te bedeesd om over te gaan tot spectaculaire ‘overacting’ (uitgezonderd Shirley L. Jones misschien). De regisseur heeft een poging gedaan om een anthologiefilm te maken zoals de grote jongens en het resultaat is op alle vlakken een grote afknapper. Alsof je een dronken matroos met de stem van een bakboordmotor in een karaokebar hoort terwijl hij zijn best doet om Boy George te imiteren : initieel kijk je met enige fascinatie en verwondering toe, doch al snel zal je het echte werk wensen!

Het devies luidt : kijk of je de titelsong ergens kan beluisteren en laat de rest maar voor wat het is. De ware cult-sadomasochisten onder ons zullen dit echter in de wind slaan en met eigen ogen alles willen aanschouwen, doch ook jullie zijn gewaarschuwd!